Afbeelding Kogels dollars en ambitiesKogels, dollars en ambities; macht en politiek in Nicaragua
van JanGeert van der Post

In september 2021, tweehonderd jaar nadat Nicaragua onafhankelijk werd van de Spaanse kolonisator, verscheen in het Nederlands eindelijk het eerste echte boek over de geschiedenis van Nicaragua. Het is een degelijk en kloek boek geworden. De auteur, JanGeert van der Post, is een voormalig ontwikkelingswerker, die tien jaar lang actief is geweest in dit Midden-Amerikaanse land. Hij schreef zeven jaar geleden ook al een boek over Nicaragua, maar toen in het Spaans: de geschiedenis van het Nicaraguakanaal. Destijds was nog niet zeker of dit kanaal er wel of niet zou gaan komen, maar inmiddels is duidelijk geworden dat het land meer behoefte heeft aan andere ambities. En dat ook kogels en dollars het land sedert 1821 weinig welvaart en welzijn hebben gebracht, toont dit tweede boek overtuigend aan.

De titels van de elf hoofdstukken waarlangs deze studie is opgebouwd zijn weloverwogen gekozen, maar zullen voor lezers die de geschiedenis van Nicaragua niet goed kennen, soms wat raadselachtig klinken. Zo handelt het eerste hoofdstuk, ‘De rooframp’, over de gevolgen van de enorme aardbeving die de hoofdstad Managua trof rond de kerst van 1972. Inmiddels is al het derde lid van de Somozadynastie aan het bewind, generaal Anastasio Somoza Debayle, die van de macht en van de ramp gebruik maakt om het familiekapitaal nog verder te vergroten. In dit eerste hoofdstuk wordt pijnlijk duidelijk hoe ongestraft geroofd kon worden, maar tegelijkertijd wordt duidelijk dat dit niet eindeloos zo door kon gaan. De auteur geeft dit heel fijntjes aan middels het volgende zinnetje: ‘De grondvesten van de macht waren met de aarde onder Managua gaan schudden.’ De parallellen die aan het einde van het boek getrokken zullen gaan worden tussen de Somozadynastie en de Ortegadynastie, vormen waarschijnlijk de reden dat de auteur met deze episode zijn boek opent. Een opbouw langs chronologische lijnen van de geschiedenis van Nicaragua had misschien meer voor de hand gelegen, maar de gekozen opzet pakt de lezer wel meteen bij de lurven.

 

Het tweede hoofdstuk, ‘De uitdagende liberaal’, handelt over de zeer ondernemende liberale president José Santos Zelaya López, onder wiens bewind de ‘Libérrima’ (een voor die tijd ‘zeer vrije’ liberaal getinte grondwet) tot stand kwam en Nicaragua uitgroeide tot ‘de sterkste economie van Midden-Amerika’. Maar Zelaya was ook een ijdele man, die langer president bleef dan goed was voor het land en voor hemzelf (1893-1909), maar waarmee het ook anders had kunnen lopen wanneer de Amerikanen hadden gekozen voor een kanaal door Nicaragua, in plaats van door Panama. De verwikkelingen rond de aanleg van dat kanaal staan centraal in dit hoofdstuk, maar de auteur weet op speelse wijze ook lijnen te trekken naar het verleden. Zo duidt hij de ligging van dit grootste Midden-Amerikaanse land plastisch aan met de woorden: ‘Op de kaart gezien is Nicaragua een omgevallen ongelijkbenig trapezium’, waarna hij dat beeld keurig verder uitwerkt, inclusief de ligging van de grote meren met de steden in het westen, het centrale bergland en de uitgestrekte laaglanden van de Caribische kust in het oosten. Ook schetst hij kort de geschiedenis van het land van vóór de Spanjaarden, met de scheidslijn tussen de gebieden waar de Meso-Amerikaanse inheemse bevolking woonde (ten westen van het centrale bergland) en waar de Chibchense – uit het Caribisch gebied afkomstige – volken woonden (centrale bergland en oostkust). Daarnaast wordt kort de koloniale geschiedenis en die van de onafhankelijkheid geschetst, met daarin de rol van het liberale León en het katholieke, conservatieve Granada. Dit is een uitstekend hoofdstuk, en had van mij flink langer mogen zijn, maar duidelijk is dat de auteur vooral de geschiedenis van de twintigste eeuw wil vertellen, en die begint in het derde hoofdstuk.

De Verenigde Staten
We kunnen vanwege de beperkte lengte die beschikbaar is voor deze recensie niet alle hoofdstukken voldoende aandacht geven, maar bij dit derde hoofdstuk dient aangetekend te worden dat het de toon zet voor wat volgt. Met (soms te) veel oog voor detail toont Van der Post overtuigend aan hoe de Verenigde Staten in de loop van deze nieuwe eeuw hun stempel zijn gaan drukken op het land. Nadat Cuba en Puerto Rico in feite al in 1898 een soort protectoraat waren geworden van de VS, werd dat achtertuintje aan het begin van de twintigste eeuw uitgebreid naar Midden-Amerika. Nadat de opstandige liberale generaal Benjamín Zeledón, een volgeling van Zelaya, bij een bloedig onderdrukte volksopstand in 1912 (met in totaal bijna 5000 doden) was vermoord, kwamen de conservatieven stevig in het zadel te zitten en werd Nicaragua, als ‘dank voor de genoten steun’ ook een protectoraat. Het hoofdstuk heet niet voor niets ‘De Brown Brothersrepubliek’, naar de Brown Brothers Company, een bank annex investeringsmaatschappij, die het klaarkreeg om de scepter te kunnen zwaaien over de Nationale Bank en de Nationale Spoorwegen van Nicaragua. In dit verband verwijst de auteur ook naar de poëzie van de grote nationale dichter Rubén Darío, die in 1916 overleed, en die volgens Van der Post een ‘ambivalente houding ten opzichte van de Verenigde Staten’ zou hebben aangenomen. Een kleine misser van de auteur, want Darío’s uitlatingen over de VS waren, zeker na 1898, vrij kritisch en indien bewonderend, gold dit zeker niet de bemoeienis van de VS met Latijns-Amerika. In zijn poëzie is Darío zelfs buitengewoon ironisch over de VS en had de auteur zich beter kunnen verlaten op een drietal artikeltjes over Darío in eerdere nummers van de Enlace, dan op de Wikipedia. Behoudens deze uitzondering is het erg aangenaam om in dit boek zulke uitstapjes naar de poëzie (en andere zaken) te lezen, want ze verhelderen én verluchtigen de soms lange opsommingen van al die politieke verwikkelingen. Zo vertelt de auteur zijdelings ook over het opkomen van de verschillende kerkgenootschappen, of over de populariteit van het honkbal in Nicaragua. Details misschien, maar toch belangrijk voor wie meer wil weten van het Nicaraguaanse doen en laten.

Een andere gelukkige vondst in dit boek is dat elk hoofdstuk wordt ingeleid door enige (cursief gedrukte) alinea’s waarin de auteur verslag doet van een van zijn reizen door Nicaragua, waarbij hij een bezoek brengt aan een streek of stad die een bepaalde rol vervult in het nieuwe hoofdstuk: daardoor neem je als lezer even een adempauze, terwijl je tegelijkertijd welhaast persoonlijk ‘betrokken’ wordt bij de gebeurtenissen die gaan volgen. Zo reist de auteur in hoofdstuk vier door Las Segovias, om vervolgens verslag te doen van de opkomst en ondergang van ‘de kleine generaal’, waarmee uiteraard Augusto Sandino bedoeld wordt. Sandino, die in 1912 nog getuige was geweest van de dood van generaal Zeledón, voert vanuit Las Segovias een indrukwekkende guerrilla-oorlog (1927-1934) tegen de Amerikaanse bezetters van zijn land. Een jaar na de officiële terugtrekking van de Amerikaanse troepen (1933) wordt Sandino echter geëxecuteerd door de Nationale Garde, en nog geen twee jaar daarna (1936) grijpt Generaal Anastasio Somoza García de macht, waarna de ‘teruggetrokken’ Amerikanen in feite nog meer macht naar zich toe kunnen trekken. Niet voor niets heet het vijfde hoofdstuk – dat opent met de fraai onderkoelde zin ‘Anastasio Somoza García was een bijzonder heerschap’– kortweg: ‘Roosevelts klootzak’. Wie dit lange hoofdstuk goed doorploegt weet voor eens en voor altijd waarom.

Linkse krachten
Het zesde hoofdstuk ‘Een chronische dictatuur als erfenis’, beschrijft de manier waarop de twee zonen van Anastasio Somoza, respectievelijk Luis Somoza Debayle, en Anastasio (‘Tacho’) Somoza Debayle, van september 1956 tot juli 1979 het hardvochtige bewind van hun vader voortzetten. Pas gaandeweg het hoofdstuk wordt duidelijk waarom de inleidende cursief gedrukte alinea’s zich ditmaal niet in Nicaragua, maar in het Cubaanse Havana afspelen. De invloed van de revolutie van 1959 heeft namelijk grote gevolgen gehad voor de vorming van een nationale, links georiënteerde protestbeweging tegen de dictatuur. Voor het eerst leek het mogelijk dat linkse krachten een eind zouden kunnen maken aan de bestaande ongelijkheid in een Latijns-Amerikaans land, en voor het eerst konden de VS dat niet verhinderen. Verrassend om te lezen is het bezoek dat Pedro Joaquín Chamorro Cardenal (telg uit de invloedrijke conservatieve Chamorroclan van uitgevers, journalisten en politici) brengt aan ‘Che’ Guevara in Havana om hulp te vragen bij het omverwerpen van de Somoza’s: hij ‘kreeg er de kous op de kop’. Maar de in 1961 opgerichte FSLN kreeg wel steun: reeds in 1967 liet Fidel Castro weten dat Nicaragua rijp was voor de revolutie. Hoewel Luis Somoza zich nog vrij democratisch opstelde, en ook de economie aan het draaien wist te krijgen, was zijn broer ‘Tacho’ meer een houwdegen, die met behulp van de Nationale Garde elke hervorming tegenhield.

Onder de titel ‘De inhaligheid voorbij’ wordt in hoofdstuk 7 de opkomst van de FSLN beschreven, van de moeilijke beginjaren tot aan het succesvolle verzet tegen de dictatuur, eindigend met de militaire én politieke overwinning op 19 juli 1979. Bij dit verzet passeren alle grote namen van revolutie de revue, waaronder die van Daniel Ortega, die in 1967 veroordeeld werd voor een bankoverval en tot eind 1974 een traumatiserende periode in de gevangenis moest doorbrengen. Terecht wordt erop gewezen dat de guerillabeweging steun kreeg uit onverwachte hoek, namelijk de kerk: dat wil zeggen de progressieve katholieken, die met het Tweede Vaticaans Concilie, en zeker ook met de Tweede Bisschoppelijke Conferentie van Latijns-Amerika (Medellín 1967), de wind in de zeilen hadden gekregen. Jammer vind ik dat de rol hierbij van de bevrijdingstheologie, en in het bijzonder van Ernesto Cardenal, niet wat ruimer belicht wordt, want die heeft een grote rol gespeeld. Sowieso komt de cultuur er in dit boek wat bekaaid van af. Zo wordt een vooraanstaand dichter-schrijver als José Coronel Urtecho slechts even genoemd, terwijl zijn rol binnen de bevrijdingstheologie, evenals binnen het FSLN, bijzonder groot is geweest. Ook jammer vind ik het dat de politiek van de ‘schrijfateliers’ niet aan de orde komt: iemand als Klaas Wellinga heeft daar diverse boeken aan gewijd: zowel in het Nederlands als in het Spaans.

Verstandshuwelijk
Met de strijdkreet van Sandino en later van de FSLN: ‘Het vaderland vrij of sterven’ begint hoofdstuk 8, waarin de revolutionaire regering voortvarend van start gaat, met goedbedoelde campagnes op het gebied van o.a. gezondheidszorg, alfabetisering, vrouwenrechten en huisvesting; campagnes die ondanks wat er allemaal misging, positief doorwerken, tot op de dag van vandaag. De tegenwerking kwam niet alleen vanuit de VS, maar ook van binnenuit, zelfs van binnen de gelederen van de FSLN: de trieste geschiedenis van de contra’s is genoegzaam bekend. Maar er is ook steun, van bevriende landen als de Sovjet-Unie, Cuba, Libië en Oost-Duitsland, maar ook van landen als Nederland (!) en Zweden. Andere steun kwam er van de vredesbewegingen en van solidariteitscomités uit diverse westerse landen, maar zeker ook van de opgerichte stedenbanden: in Nederland waren dat er twintig, die onder auspiciën stonden van Het Nicaragua Komitee Nederland (NKN). Met de titel ‘De maagd en de gewapende vechthaan’ (hoofdstuk negen) wordt het verstandshuwelijk bedoeld tussen Violeta Barrios de Chamorro, weduwe van de vermoorde en bovengenoemde uitgever-journalist Pedro Joaquín Chamorro Cardenal, en Daniel Ortega. Aanvankelijk steunt zij het Sandinistische bewind, maar binnen twee jaar neemt zij daar afstand van en volgt zij een meer conservatieve koers. Bij de verkiezingen van 1990 wordt zij, enigszins verrassend, de eerste vrouwelijke president van het land. Intussen vervalt het land in chaos en geweld: hoofdstuk 10 ‘De gewelddadige vrede en het pact’, en valt ook de FSLN ten prooi aan onderlinge haat en verdeeldheid. Ortega verliest niet alleen vrijwel al zijn vrienden, maar ook de verkiezingen van 1996 en 2001. Maar in 2006, nu met de onvoorwaardelijke steun van zijn nieuwe echtgenote Rosario Murillo, wordt hij eindelijk weer president, ook al had George Bush het de Nicaraguanen nog zo ontraden –

Het laatste hoofdstuk, ‘De desastreuze politieke praktijk’, is opgezet als een soort essay, waarin aan de hand van de (in de voorgaande hoofdstukken gedetailleerd beschreven) politieke verwikkelingen gedurende de twintigste eeuw, wordt uiteengezet dat de tweede regeringsperiode van Daniel Ortega (na 2006 opnieuw verkozen in 2011 en in 2016) een ‘simpele’ voortzetting is van een bekend patroon: fixatie op de sterke man, polarisatie van de politieke en maatschappelijke krachtenvelden, een falend democratisch en staatsrechtelijk systeem,  ruimte voor cliëntelisme en corruptie, afhankelijkheid van buitenlandse mogendheden en een gebrek aan steun onder de bevolking. Zijn politieke programma is eerder conservatief-christelijk te noemen dan progressief, maar op een paar niet onbelangrijke punten heeft hij het sandinisme weten hoog te houden, namelijk armoedebestrijding en de verheffing van het volk. Dat verklaart waarom bepaalde lagen van de bevolking hem nog steeds steunen. Op weg naar de verkiezingen van november 2021 wordt de onderling sterk verdeelde oppositie echter stelselmatig monddood gemaakt en is zij in feite slechts verenigd door het hebben van een gemeenschappelijke vijand: de clan Ortega-Murillo. Ook in dat opzicht doet de huidige situatie sterk denken aan het schier hopeloos lijkende verzet in vroeger tijden, tegen de Somoza-dynastie. Van der Post spreekt aan het slot van zijn betoog niettemin de hoop uit – alhoewel niet zonder ironie – dat de hulp, net als vroeger, uit het buitenland zal komen, maar dan nu van de kant van de duizenden en duizenden hoogopgeleide, ambitieuze Nicaraguanen die de repressie ontvlucht zijn, en de buik vol hebben van ‘kogels en dollars’. En hopelijk is daar geen geweld van buiten bij nodig, zoals de grote aardbeving van bijna een halve eeuw geleden die Managua grotendeels in puin legde.

Hub Hermans

Deze recensie is eerder gepubliceerd in Enlace, het magazine van de Stedenband Groningen - San Carlos, in december 2021.

Het boek is uitgegeven door Walburg Pers en kost € 29,99.

 

Archief van berichten